Ik ben naar zee geweest. Ik heb met mijn broer/zus gespeeld. Ik heb frietjes gegeten. Ik heb een koek gegeten. Ik heb de tafels geoefend. Ik ben gevallen. Ik heb ruzie gemaakt. Ik heb een liedje gezongen. Ik ben bij mijn grootouders gaan slapen. Ik heb Nederlands gepraat. Ik ben bij een vriend gaan spelen. Ik heb buiten gespeeld. Ik heb een boekje in het Frans gelezen. Ik ben gaan zwemmen. Ik ben naar een carnavalsstoet gaan kijken. Ik ben op vakantie geweest. Ik heb een film gekeken. Ik heb pizza gegeten. Ik ben gaan wandelen. Ik heb frans gepraat. Ik heb in een restaurant gegeten. Ik ben gaan skiën. Ik heb een boekje in het Nederlands gelezen. Ik heb ruzie gemaakt met mijn broer of zus. Ik ben naar zee geweest. Ik heb met mijn broer/zus gespeeld. Ik heb frietjes gegeten. Ik heb een koek gegeten. Ik heb de tafels geoefend. Ik ben gevallen. Ik heb ruzie gemaakt. Ik heb een liedje gezongen. Ik ben bij mijn grootouders gaan slapen. Ik heb Nederlands gepraat. Ik ben bij een vriend gaan spelen. Ik heb buiten gespeeld. Ik heb een boekje in het Frans gelezen. Ik ben gaan zwemmen. Ik ben naar een carnavalsstoet gaan kijken. Ik ben op vakantie geweest. Ik heb een film gekeken. Ik heb pizza gegeten. Ik ben gaan wandelen. Ik heb frans gepraat. Ik heb in een restaurant gegeten. Ik ben gaan skiën. Ik heb een boekje in het Nederlands gelezen. Ik heb ruzie gemaakt met mijn broer of zus.
(Print) Use this randomly generated list as your call list when playing the game. There is no need to say the BINGO column name. Place some kind of mark (like an X, a checkmark, a dot, tally mark, etc) on each cell as you announce it, to keep track. You can also cut out each item, place them in a bag and pull words from the bag.
Ik ben naar zee geweest.
Ik heb met mijn broer/zus gespeeld.
Ik heb frietjes gegeten.
Ik heb een koek gegeten.
Ik heb de tafels geoefend.
Ik ben gevallen.
Ik heb ruzie gemaakt.
Ik heb een liedje gezongen.
Ik ben bij mijn grootouders gaan slapen.
Ik heb Nederlands gepraat.
Ik ben bij een vriend gaan spelen.
Ik heb buiten gespeeld.
Ik heb een boekje in het Frans gelezen.
Ik ben gaan zwemmen.
Ik ben naar een carnavalsstoet gaan kijken.
Ik ben op vakantie geweest.
Ik heb een film gekeken.
Ik heb pizza gegeten.
Ik ben gaan wandelen.
Ik heb frans gepraat.
Ik heb in een restaurant gegeten.
Ik ben gaan skiën.
Ik heb een boekje in het Nederlands gelezen.
Ik heb ruzie gemaakt met mijn broer of zus.