Ik ben naareencarnavalsstoetgaan kijken.Ik hebfransgepraat.Ik hebpizzagegeten.Ik bengaanskiën.Ik bengevallen.Ik heb eenboekje in hetNederlandsgelezen.Ik hebeen liedjegezongen.Ik ben opvakantiegeweest.Ik heb detafelsgeoefend.Ik heb eenboekje inhet Fransgelezen.Ik hebfrietjesgegeten.Ik hebruziegemaakt.Ik hebbuitengespeeld.Ik bengaanzwemmen.Ik hebeen koekgegeten.Ik heb ruziegemaaktmet mijnbroer of zus.Ik bengaanwandelen.Ik hebNederlandsgepraat.Ik hebeen filmgekeken.Ik ben bijmijngrootoudersgaan slapen.Ik hebmet mijnbroer/zusgespeeld.Ik heb ineenrestaurantgegeten.Ik ben bijeen vriendgaanspelen.Ik bennaar zeegeweest.Ik ben naareencarnavalsstoetgaan kijken.Ik hebfransgepraat.Ik hebpizzagegeten.Ik bengaanskiën.Ik bengevallen.Ik heb eenboekje in hetNederlandsgelezen.Ik hebeen liedjegezongen.Ik ben opvakantiegeweest.Ik heb detafelsgeoefend.Ik heb eenboekje inhet Fransgelezen.Ik hebfrietjesgegeten.Ik hebruziegemaakt.Ik hebbuitengespeeld.Ik bengaanzwemmen.Ik hebeen koekgegeten.Ik heb ruziegemaaktmet mijnbroer of zus.Ik bengaanwandelen.Ik hebNederlandsgepraat.Ik hebeen filmgekeken.Ik ben bijmijngrootoudersgaan slapen.Ik hebmet mijnbroer/zusgespeeld.Ik heb ineenrestaurantgegeten.Ik ben bijeen vriendgaanspelen.Ik bennaar zeegeweest.

Vakantie Bingo - Call List

(Print) Use this randomly generated list as your call list when playing the game. There is no need to say the BINGO column name. Place some kind of mark (like an X, a checkmark, a dot, tally mark, etc) on each cell as you announce it, to keep track. You can also cut out each item, place them in a bag and pull words from the bag.


1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
  1. Ik ben naar een carnavalsstoet gaan kijken.
  2. Ik heb frans gepraat.
  3. Ik heb pizza gegeten.
  4. Ik ben gaan skiën.
  5. Ik ben gevallen.
  6. Ik heb een boekje in het Nederlands gelezen.
  7. Ik heb een liedje gezongen.
  8. Ik ben op vakantie geweest.
  9. Ik heb de tafels geoefend.
  10. Ik heb een boekje in het Frans gelezen.
  11. Ik heb frietjes gegeten.
  12. Ik heb ruzie gemaakt.
  13. Ik heb buiten gespeeld.
  14. Ik ben gaan zwemmen.
  15. Ik heb een koek gegeten.
  16. Ik heb ruzie gemaakt met mijn broer of zus.
  17. Ik ben gaan wandelen.
  18. Ik heb Nederlands gepraat.
  19. Ik heb een film gekeken.
  20. Ik ben bij mijn grootouders gaan slapen.
  21. Ik heb met mijn broer/zus gespeeld.
  22. Ik heb in een restaurant gegeten.
  23. Ik ben bij een vriend gaan spelen.
  24. Ik ben naar zee geweest.