Geeft te snel op. Toont weinig inzet. Drukt zijn eigen mening te veel door. Controleert het werk niet. Werkt chaotisch. Kan veel meer dan hij laat zien. Werkt te snel. Er zit een dalende lijn in. Denkt te snel dat hij het niet kan. Gaat voor de minimale inzet. Leert te oppervlakkig. Resultaten blijven achter. Kan de stof niet goed toepassen. Is te passief. Haalt er niet uit wat erin zit. Doet weinig met feedback. Verstoort soms de les. Legt de oorzaak vaak buiten zichzelf. Is wisselvallig. Praat door de uitleg heen. Is snel tevreden. Gaat uitdaging uit de weg. Wacht te veel af. Maakt het zichzelf te makkelijk. Vergeet vaak huiswerk. Heeft moeite met samenwerken. Begint te laat met leren. Vraagt pas hulp als het te laat is. Is snel klaar, maar niet nauwkeurig. Neemt weinig initiatief. Plant slecht. Werkt slordig. Begrijpt de vraag vaak verkeerd. Heeft steeds bevestiging nodig. Heeft veel aansporing nodig. Begint zonder plan. Is snel afgeleid. Mag thuis meer doen. Blijft te lang hangen. Kan feedback moeilijk ontvangen. Lijkt niet gemotiveerd. Roept te veel door de klas. Werkt niet zelfstandig genoeg. Gokt te veel. Komt moeilijk op gang. Leest de opdracht niet goed. Blokkeert als het moeilijk wordt. Moet beter opletten. Onderbouwt antwoorden onvoldoende. Laat zich meeslepen door anderen. Geeft te snel op. Toont weinig inzet. Drukt zijn eigen mening te veel door. Controleert het werk niet. Werkt chaotisch. Kan veel meer dan hij laat zien. Werkt te snel. Er zit een dalende lijn in. Denkt te snel dat hij het niet kan. Gaat voor de minimale inzet. Leert te oppervlakkig. Resultaten blijven achter. Kan de stof niet goed toepassen. Is te passief. Haalt er niet uit wat erin zit. Doet weinig met feedback. Verstoort soms de les. Legt de oorzaak vaak buiten zichzelf. Is wisselvallig. Praat door de uitleg heen. Is snel tevreden. Gaat uitdaging uit de weg. Wacht te veel af. Maakt het zichzelf te makkelijk. Vergeet vaak huiswerk. Heeft moeite met samenwerken. Begint te laat met leren. Vraagt pas hulp als het te laat is. Is snel klaar, maar niet nauwkeurig. Neemt weinig initiatief. Plant slecht. Werkt slordig. Begrijpt de vraag vaak verkeerd. Heeft steeds bevestiging nodig. Heeft veel aansporing nodig. Begint zonder plan. Is snel afgeleid. Mag thuis meer doen. Blijft te lang hangen. Kan feedback moeilijk ontvangen. Lijkt niet gemotiveerd. Roept te veel door de klas. Werkt niet zelfstandig genoeg. Gokt te veel. Komt moeilijk op gang. Leest de opdracht niet goed. Blokkeert als het moeilijk wordt. Moet beter opletten. Onderbouwt antwoorden onvoldoende. Laat zich meeslepen door anderen.
(Print) Use this randomly generated list as your call list when playing the game. There is no need to say the BINGO column name. Place some kind of mark (like an X, a checkmark, a dot, tally mark, etc) on each cell as you announce it, to keep track. You can also cut out each item, place them in a bag and pull words from the bag.
Geeft te snel op.
Toont weinig inzet.
Drukt zijn eigen mening te veel door.
Controleert het werk niet.
Werkt chaotisch.
Kan veel meer dan hij laat zien.
Werkt te snel.
Er zit een dalende lijn in.
Denkt te snel dat hij het niet kan.
Gaat voor de minimale inzet.
Leert te oppervlakkig.
Resultaten blijven achter.
Kan de stof niet goed toepassen.
Is te passief.
Haalt er niet uit wat erin zit.
Doet weinig met feedback.
Verstoort soms de les.
Legt de oorzaak vaak buiten zichzelf.
Is wisselvallig.
Praat door de uitleg heen.
Is snel tevreden.
Gaat uitdaging uit de weg.
Wacht te veel af.
Maakt het zichzelf te makkelijk.
Vergeet vaak huiswerk.
Heeft moeite met samenwerken.
Begint te laat met leren.
Vraagt pas hulp als het te laat is.
Is snel klaar, maar niet nauwkeurig.
Neemt weinig initiatief.
Plant slecht.
Werkt slordig.
Begrijpt de vraag vaak verkeerd.
Heeft steeds bevestiging nodig.
Heeft veel aansporing nodig.
Begint zonder plan.
Is snel afgeleid.
Mag thuis meer doen.
Blijft te lang hangen.
Kan feedback moeilijk ontvangen.
Lijkt niet gemotiveerd.
Roept te veel door de klas.
Werkt niet zelfstandig genoeg.
Gokt te veel.
Komt moeilijk op gang.
Leest de opdracht niet goed.
Blokkeert als het moeilijk wordt.
Moet beter opletten.
Onderbouwt antwoorden onvoldoende.
Laat zich meeslepen door anderen.