komenzohuisjongentuinendannietmeerzijnhorenwandelenzusgeroeproepenzienergbijhebbenmehoudenvanaldaaraanwijzennaaropadaarnatotwatbeestwonenwiedusuitgroetenallensnelblijvenvaakmeteenikooktoen(bijwoord)eentijdjegoedgevenvervolgenstoen(voegwoord)uitroepenbinnenkomenuitslapenhaarmeisjeplotselinghallojullieoverdroommisschienbangmakenterwijljijwijvertellendieslangzittenwaarvragengezondzijngisterenbeidengewoonzijn teweercadeaugrasantwoorden(samen)metennietwaaromhemstadminderbroerwantnachtverwegmoederdromenmaarkomenzohuisjongentuinendannietmeerzijnhorenwandelenzusgeroeproepenzienergbijhebbenmehoudenvanaldaaraanwijzennaaropadaarnatotwatbeestwonenwiedusuitgroetenallensnelblijvenvaakmeteenikooktoen(bijwoord)eentijdjegoedgevenvervolgenstoen(voegwoord)uitroepenbinnenkomenuitslapenhaarmeisjeplotselinghallojullieoverdroommisschienbangmakenterwijljijwijvertellendieslangzittenwaarvragengezondzijngisterenbeidengewoonzijn teweercadeaugrasantwoorden(samen)metennietwaaromhemstadminderbroerwantnachtverwegmoederdromenmaar

Latijnse woorden les 1 t/m 4 - Call List

(Print) Use this randomly generated list as your call list when playing the game. There is no need to say the BINGO column name. Place some kind of mark (like an X, a checkmark, a dot, tally mark, etc) on each cell as you announce it, to keep track. You can also cut out each item, place them in a bag and pull words from the bag.


1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42
43
44
45
46
47
48
49
50
51
52
53
54
55
56
57
58
59
60
61
62
63
64
65
66
67
68
69
70
71
72
73
74
75
76
77
78
79
80
81
82
83
84
85
86
87
88
89
90
  1. komen
  2. zo
  3. huis
  4. jongen
  5. tuin
  6. en
  7. dan
  8. niet meer
  9. zijn
  10. horen
  11. wandelen
  12. zus
  13. geroep
  14. roepen
  15. zien
  16. erg
  17. bij
  18. hebben
  19. me
  20. houden van
  21. al
  22. daar
  23. aanwijzen
  24. naar
  25. opa
  26. daarna
  27. tot
  28. wat
  29. beest
  30. wonen
  31. wie
  32. dus
  33. uit
  34. groeten
  35. allen
  36. snel
  37. blijven
  38. vaak
  39. meteen
  40. ik
  41. ook
  42. toen (bijwoord)
  43. een tijdje
  44. goed
  45. geven
  46. vervolgens
  47. toen (voegwoord)
  48. uitroepen
  49. binnenkomen
  50. uit
  51. slapen
  52. haar
  53. meisje
  54. plotseling
  55. hallo
  56. jullie
  57. over
  58. droom
  59. misschien
  60. bang maken
  61. terwijl
  62. jij
  63. wij
  64. vertellen
  65. die
  66. slang
  67. zitten
  68. waar
  69. vragen
  70. gezond zijn
  71. gisteren
  72. beiden
  73. gewoon zijn te
  74. weer
  75. cadeau
  76. gras
  77. antwoorden
  78. (samen) met
  79. en niet
  80. waarom
  81. hem
  82. stad
  83. minder
  84. broer
  85. want
  86. nacht
  87. ver weg
  88. moeder
  89. dromen
  90. maar