hurricane – Enorme storm met windsnelheden van meer dan 200 kilometer per uur. waterbalans – Verschil tussen de hoeveelheid neerslag en de hoeveelheid verdamping. woestijnklimaat – Klimaat met meestal hoge temperaturen en vrijwel geen neerslag. toendraklimaat – Klimaat waarbij zelfs in de zomer de temperatuur niet boven de 10 °C komt. natuurlijk broeikaseffect – De dampkring houdt warmte vast die de aarde uitstraalt. het zuidelijk halfrond naar links. Een wind die van het land naar de zee waait. wet van Buys Ballot – Wind krijgt op het noordelijk halfrond een afwijking naar rechts en op versterkt broeikaseffect – Er komen te veel broeikasgassen in de atmosfeer, waardoor de weerselementen – Dit zijn neerslag, temperatuur en wind. met neerslag. voor zijn manier van leven. risicoperceptie – De mate waarin mensen risico’s inschatten om ergens te blijven wonen of tropisch regenwoudklimaat – Een klimaat met een maandtemperatuur boven de 18 °C met verwoestijning – Proces van verdroging waarbij het voor planten erg moeilijk wordt om zich isobaar – Lijn die plaatsen met een gelijke luchtdruk met elkaar verbindt. aanvoer lucht van elders. Gassen die bijdragen aan het opwarmen van de aarde. zonnekracht – De hoeveelheid uv-straling die de aarde bereikt infiltreren / infiltratie – Het vermogen van de grond om water op te nemen. evenaar waait. waterdamp – Als water verdampt, ontstaat het onzichtbare gas waterdamp. loefzijde – Die kant van een gebergte waar de lucht opstijgt, condenseert en neerslag valt. Een maat die aangeeft hoeveel ruimte een persoon nodig heeft frontale regen – Regen ontstaat doordat warme over koude lucht opstijgt waarna het je huid verbranden. Water dat van een hooggelegen gebied naar een laag gebied stroomt. grondwater – Water dat in de bodem zit en dat je kunt gebruiken als drinkwater. Mate waarin de lucht bewolkt is. hazardmanagement – Maatregelen om de schade door natuurrampen zo klein mogelijk te maximum – Zie hogedrukgebied. van arbeid en/of kapitaal. gematigd zeeklimaat – Klimaat waarin het verschil tussen de zomer- en wintertemperatuur kapitaal per hectare of per dier. De geografische ligging van een plaats ten opzicht van de evenaar steppeklimaat – Klimaat met weinig neerslag en een begroeiing van gras. landklimaat – Klimaat met een groot verschil tussen de zomer- en wintertemperatuur. jaar. Wanneer de hemel bedekt is met wolken. lagedrukgebied – Een gebied met lage luchtdruk waar de lucht stijgt. extensieve landbouw/veeteelt – Landbouw/veeteelt waarbij weinig gebruik wordt gemaakt temperatuur – Hoe warm of koud het is, gemeten in graden. handelsgewas – Gewas dat bestemd is voor de handel. wind – Verplaatsing van lucht van een hogedrukgebied naar een lagedrukgebied. zeespiegel. klimaatfactoren – Breedteligging, hoogteligging, afstand tot zee, gesteldheid oppervlak en kooldioxide – Broeikasgas (CO2) dat aanwezig is in de atmosfeer en dat is opgeslagen in slurf onder de wolken. stuwingsregen – Regen die ontstaat wanneer lucht gedwongen wordt tegen een berghelling verdroging – Een verschijnsel waarbij de grondwaterspiegel in de grond daalt waardoor tropische orkaan – Enorme storm met windsnelheden van meer dan 200 kilometer per uur. Begrippenlijst 4 vmbo-gt – Hoofdstuk 1 Weer en klimaat © Noordhoff Uitgevers 2019 en rivieren terugstroomt naar zee. Er is een korte en een lange waterkringloop. werken. intensieve landbouw – Landbouw waarbij veel gebruik wordt gemaakt van arbeid en/of weer – Toestand van de atmosfeer op een bepaald moment en een bepaalde plaats. Een wind die van zee naar het land waait. klimaatverdrag – Verdrag tussen landen waarin afspraken staan om de CO2- uitstoot te vegetatiezone – Gebied met eigen soorten planten. Het afvoeren van water met behulp van buizen met kleine gaatjes. Middellandse Zeeklimaat – Gematigd klimaat met een droge zomer en een zachte winter passaatwind – Wind die van de subtropische hogedrukgebieden (30° N.B. en Z.B.) naar de voedingsgewas – Gewas dat bestemd is voor eigen consumptie. Instrument om de luchtdruk te meten. irrigeren / irrigatie – Het kunstmatig bevloeien van land om de opbrengst te vergroten. voedselpiramide – Systeem waarbij planten en dieren elkaar nodig hebben om te leven. uv-straling – Ultraviolette straling van de zon de je niet kunt zien. Bij mooi helder weer kan schaal van Beaufort – Windkrachtmeting. Windkracht 1 is windstil en windkracht 12 is houden. orkaankracht. poolklimaat – Klimaat waarbij de temperatuur altijd onder de 0 °C blijft. tornado – Zie wervelwind. savanneklimaat – Klimaat met een maandtemperatuur boven de 18 °C met een droge en te handhaven. waterkringloop – Het proces waarbij water na verdamping via wolken, neerslag, grondwater hogedrukgebied – Een gebied met een hoge luchtdruk door dalende lucht. luchtdruk – Druk van het gewicht van de lucht op de aarde. piekafvoer – De grootste hoeveelheid water die een rivier in een korte tijd moet verwerken. op te stijgen. neerslag – Regen, hagel, sneeuw, mist en ijzel. Toerisme waarbij milieu, natuur en landschap niet aangetast worden. condenseert. methaan – Broeikasgas dat vrijkomt bij de poep van vee en bij moerassen. zeespiegelstijging – Stijging van de zeespiegel. fossiele brandstoffen. klimaat – Het gemiddelde weer, gemeten over een periode van dertig jaar. natte tijd. hooggebergteklimaat – Een sneeuw- en ijsklimaat hoog in de bergen. neerslagintensiteit – De hoeveelheid neerslag die valt. lijzijde – De kant van een gebergte waar de droge lucht naar beneden komt. aarde warmer wordt. Begrippenlijst 4 vmbo-gt – Hoofdstuk 1 Weer en klimaat © Noordhoff Uitgevers 2019 minimum – Zie lagedrukgebied. neerslagverdeling – De verdeling van de neerslag over het jaar. klimaatgrafiek – Grafiek met de temperatuur en de neerslag van een plaats gedurende het planten verdrogen. nuttige neerslag – Neerslag die overblijft na verdamping. hoogteligging – De ligging van een gebied, uitgedrukt in aantal meters boven de stijgingsregen – Regen die ontstaat als warme lucht opstijgt en daardoor afkoelt. uitgedrukt in graden. wervelwind – Lokaal zeer sterke draaiwind met snelheden boven de 400 km per uur, en een verminderen. De luchtlaag rond de aarde. het hele jaar door veel regen. klein is en de neerslag het hele jaar door valt. Produceren zonder het vermogen van de aarde aan te tasten. luchtvochtigheid – De hoeveelheid vocht die in de lucht zit. Begrippenlijst 4 vmbo-gt – Hoofdstuk 1 Weer en klimaat © Noordhoff Uitgevers 2019 tropische lagedrukgordel – Een groot aantal lagedrukgebieden rond de evenaar. Waterhoudende laag in de ondergrond. Kleine druppels die ontstaan uit waterdamp. hurricane – Enorme storm met windsnelheden van meer dan 200 kilometer per uur. waterbalans – Verschil tussen de hoeveelheid neerslag en de hoeveelheid verdamping. woestijnklimaat – Klimaat met meestal hoge temperaturen en vrijwel geen neerslag. toendraklimaat – Klimaat waarbij zelfs in de zomer de temperatuur niet boven de 10 °C komt. natuurlijk broeikaseffect – De dampkring houdt warmte vast die de aarde uitstraalt. het zuidelijk halfrond naar links. Een wind die van het land naar de zee waait. wet van Buys Ballot – Wind krijgt op het noordelijk halfrond een afwijking naar rechts en op versterkt broeikaseffect – Er komen te veel broeikasgassen in de atmosfeer, waardoor de weerselementen – Dit zijn neerslag, temperatuur en wind. met neerslag. voor zijn manier van leven. risicoperceptie – De mate waarin mensen risico’s inschatten om ergens te blijven wonen of tropisch regenwoudklimaat – Een klimaat met een maandtemperatuur boven de 18 °C met verwoestijning – Proces van verdroging waarbij het voor planten erg moeilijk wordt om zich isobaar – Lijn die plaatsen met een gelijke luchtdruk met elkaar verbindt. aanvoer lucht van elders. Gassen die bijdragen aan het opwarmen van de aarde. zonnekracht – De hoeveelheid uv-straling die de aarde bereikt infiltreren / infiltratie – Het vermogen van de grond om water op te nemen. evenaar waait. waterdamp – Als water verdampt, ontstaat het onzichtbare gas waterdamp. loefzijde – Die kant van een gebergte waar de lucht opstijgt, condenseert en neerslag valt. Een maat die aangeeft hoeveel ruimte een persoon nodig heeft frontale regen – Regen ontstaat doordat warme over koude lucht opstijgt waarna het je huid verbranden. Water dat van een hooggelegen gebied naar een laag gebied stroomt. grondwater – Water dat in de bodem zit en dat je kunt gebruiken als drinkwater. Mate waarin de lucht bewolkt is. hazardmanagement – Maatregelen om de schade door natuurrampen zo klein mogelijk te maximum – Zie hogedrukgebied. van arbeid en/of kapitaal. gematigd zeeklimaat – Klimaat waarin het verschil tussen de zomer- en wintertemperatuur kapitaal per hectare of per dier. De geografische ligging van een plaats ten opzicht van de evenaar steppeklimaat – Klimaat met weinig neerslag en een begroeiing van gras. landklimaat – Klimaat met een groot verschil tussen de zomer- en wintertemperatuur. jaar. Wanneer de hemel bedekt is met wolken. lagedrukgebied – Een gebied met lage luchtdruk waar de lucht stijgt. extensieve landbouw/veeteelt – Landbouw/veeteelt waarbij weinig gebruik wordt gemaakt temperatuur – Hoe warm of koud het is, gemeten in graden. handelsgewas – Gewas dat bestemd is voor de handel. wind – Verplaatsing van lucht van een hogedrukgebied naar een lagedrukgebied. zeespiegel. klimaatfactoren – Breedteligging, hoogteligging, afstand tot zee, gesteldheid oppervlak en kooldioxide – Broeikasgas (CO2) dat aanwezig is in de atmosfeer en dat is opgeslagen in slurf onder de wolken. stuwingsregen – Regen die ontstaat wanneer lucht gedwongen wordt tegen een berghelling verdroging – Een verschijnsel waarbij de grondwaterspiegel in de grond daalt waardoor tropische orkaan – Enorme storm met windsnelheden van meer dan 200 kilometer per uur. Begrippenlijst 4 vmbo-gt – Hoofdstuk 1 Weer en klimaat © Noordhoff Uitgevers 2019 en rivieren terugstroomt naar zee. Er is een korte en een lange waterkringloop. werken. intensieve landbouw – Landbouw waarbij veel gebruik wordt gemaakt van arbeid en/of weer – Toestand van de atmosfeer op een bepaald moment en een bepaalde plaats. Een wind die van zee naar het land waait. klimaatverdrag – Verdrag tussen landen waarin afspraken staan om de CO2- uitstoot te vegetatiezone – Gebied met eigen soorten planten. Het afvoeren van water met behulp van buizen met kleine gaatjes. Middellandse Zeeklimaat – Gematigd klimaat met een droge zomer en een zachte winter passaatwind – Wind die van de subtropische hogedrukgebieden (30° N.B. en Z.B.) naar de voedingsgewas – Gewas dat bestemd is voor eigen consumptie. Instrument om de luchtdruk te meten. irrigeren / irrigatie – Het kunstmatig bevloeien van land om de opbrengst te vergroten. voedselpiramide – Systeem waarbij planten en dieren elkaar nodig hebben om te leven. uv-straling – Ultraviolette straling van de zon de je niet kunt zien. Bij mooi helder weer kan schaal van Beaufort – Windkrachtmeting. Windkracht 1 is windstil en windkracht 12 is houden. orkaankracht. poolklimaat – Klimaat waarbij de temperatuur altijd onder de 0 °C blijft. tornado – Zie wervelwind. savanneklimaat – Klimaat met een maandtemperatuur boven de 18 °C met een droge en te handhaven. waterkringloop – Het proces waarbij water na verdamping via wolken, neerslag, grondwater hogedrukgebied – Een gebied met een hoge luchtdruk door dalende lucht. luchtdruk – Druk van het gewicht van de lucht op de aarde. piekafvoer – De grootste hoeveelheid water die een rivier in een korte tijd moet verwerken. op te stijgen. neerslag – Regen, hagel, sneeuw, mist en ijzel. Toerisme waarbij milieu, natuur en landschap niet aangetast worden. condenseert. methaan – Broeikasgas dat vrijkomt bij de poep van vee en bij moerassen. zeespiegelstijging – Stijging van de zeespiegel. fossiele brandstoffen. klimaat – Het gemiddelde weer, gemeten over een periode van dertig jaar. natte tijd. hooggebergteklimaat – Een sneeuw- en ijsklimaat hoog in de bergen. neerslagintensiteit – De hoeveelheid neerslag die valt. lijzijde – De kant van een gebergte waar de droge lucht naar beneden komt. aarde warmer wordt. Begrippenlijst 4 vmbo-gt – Hoofdstuk 1 Weer en klimaat © Noordhoff Uitgevers 2019 minimum – Zie lagedrukgebied. neerslagverdeling – De verdeling van de neerslag over het jaar. klimaatgrafiek – Grafiek met de temperatuur en de neerslag van een plaats gedurende het planten verdrogen. nuttige neerslag – Neerslag die overblijft na verdamping. hoogteligging – De ligging van een gebied, uitgedrukt in aantal meters boven de stijgingsregen – Regen die ontstaat als warme lucht opstijgt en daardoor afkoelt. uitgedrukt in graden. wervelwind – Lokaal zeer sterke draaiwind met snelheden boven de 400 km per uur, en een verminderen. De luchtlaag rond de aarde. het hele jaar door veel regen. klein is en de neerslag het hele jaar door valt. Produceren zonder het vermogen van de aarde aan te tasten. luchtvochtigheid – De hoeveelheid vocht die in de lucht zit. Begrippenlijst 4 vmbo-gt – Hoofdstuk 1 Weer en klimaat © Noordhoff Uitgevers 2019 tropische lagedrukgordel – Een groot aantal lagedrukgebieden rond de evenaar. Waterhoudende laag in de ondergrond. Kleine druppels die ontstaan uit waterdamp.
(Print) Use this randomly generated list as your call list when playing the game. There is no need to say the BINGO column name. Place some kind of mark (like an X, a checkmark, a dot, tally mark, etc) on each cell as you announce it, to keep track. You can also cut out each item, place them in a bag and pull words from the bag.
hurricane – Enorme storm met windsnelheden van meer dan 200 kilometer per uur.
waterbalans – Verschil tussen de hoeveelheid neerslag en de hoeveelheid verdamping.
woestijnklimaat – Klimaat met meestal hoge temperaturen en vrijwel geen neerslag.
toendraklimaat – Klimaat waarbij zelfs in de zomer de temperatuur niet boven de 10 °C
komt.
natuurlijk broeikaseffect – De dampkring houdt warmte vast die de aarde uitstraalt.
het zuidelijk halfrond naar links.
Een wind die van het land naar de zee waait.
wet van Buys Ballot – Wind krijgt op het noordelijk halfrond een afwijking naar rechts en op
versterkt broeikaseffect – Er komen te veel broeikasgassen in de atmosfeer, waardoor de
weerselementen – Dit zijn neerslag, temperatuur en wind.
met neerslag.
voor zijn manier van leven.
risicoperceptie – De mate waarin mensen risico’s inschatten om ergens te blijven wonen of
tropisch regenwoudklimaat – Een klimaat met een maandtemperatuur boven de 18 °C met
verwoestijning – Proces van verdroging waarbij het voor planten erg moeilijk wordt om zich
isobaar – Lijn die plaatsen met een gelijke luchtdruk met elkaar verbindt.
aanvoer lucht van elders.
Gassen die bijdragen aan het opwarmen van de aarde.
zonnekracht – De hoeveelheid uv-straling die de aarde bereikt
infiltreren / infiltratie – Het vermogen van de grond om water op te nemen.
evenaar waait.
waterdamp – Als water verdampt, ontstaat het onzichtbare gas waterdamp.
loefzijde – Die kant van een gebergte waar de lucht opstijgt, condenseert en neerslag valt.
Een maat die aangeeft hoeveel ruimte een persoon nodig heeft
frontale regen – Regen ontstaat doordat warme over koude lucht opstijgt waarna het
je huid verbranden.
Water dat van een hooggelegen gebied naar een laag gebied stroomt.
grondwater – Water dat in de bodem zit en dat je kunt gebruiken als drinkwater.
Mate waarin de lucht bewolkt is.
hazardmanagement – Maatregelen om de schade door natuurrampen zo klein mogelijk te
maximum – Zie hogedrukgebied.
van arbeid en/of kapitaal.
gematigd zeeklimaat – Klimaat waarin het verschil tussen de zomer- en wintertemperatuur
kapitaal per hectare of per dier.
De geografische ligging van een plaats ten opzicht van de evenaar
steppeklimaat – Klimaat met weinig neerslag en een begroeiing van gras.
landklimaat – Klimaat met een groot verschil tussen de zomer- en wintertemperatuur.
jaar.
Wanneer de hemel bedekt is met wolken.
lagedrukgebied – Een gebied met lage luchtdruk waar de lucht stijgt.
extensieve landbouw/veeteelt – Landbouw/veeteelt waarbij weinig gebruik wordt gemaakt
temperatuur – Hoe warm of koud het is, gemeten in graden.
handelsgewas – Gewas dat bestemd is voor de handel.
wind – Verplaatsing van lucht van een hogedrukgebied naar een lagedrukgebied.
zeespiegel.
klimaatfactoren – Breedteligging, hoogteligging, afstand tot zee, gesteldheid oppervlak en
kooldioxide – Broeikasgas (CO2) dat aanwezig is in de atmosfeer en dat is opgeslagen in
slurf onder de wolken.
stuwingsregen – Regen die ontstaat wanneer lucht gedwongen wordt tegen een berghelling
verdroging – Een verschijnsel waarbij de grondwaterspiegel in de grond daalt waardoor
tropische orkaan – Enorme storm met windsnelheden van meer dan 200 kilometer per uur.
Begrippenlijst 4 vmbo-gt – Hoofdstuk 1 Weer en klimaat © Noordhoff Uitgevers 2019
en rivieren terugstroomt naar zee. Er is een korte en een lange waterkringloop.
werken.
intensieve landbouw – Landbouw waarbij veel gebruik wordt gemaakt van arbeid en/of
weer – Toestand van de atmosfeer op een bepaald moment en een bepaalde plaats.
Een wind die van zee naar het land waait.
klimaatverdrag – Verdrag tussen landen waarin afspraken staan om de CO2-uitstoot te
vegetatiezone – Gebied met eigen soorten planten.
Het afvoeren van water met behulp van buizen met kleine gaatjes.
Middellandse Zeeklimaat – Gematigd klimaat met een droge zomer en een zachte winter
passaatwind – Wind die van de subtropische hogedrukgebieden (30° N.B. en Z.B.) naar de
voedingsgewas – Gewas dat bestemd is voor eigen consumptie.
Instrument om de luchtdruk te meten.
irrigeren / irrigatie – Het kunstmatig bevloeien van land om de opbrengst te vergroten.
voedselpiramide – Systeem waarbij planten en dieren elkaar nodig hebben om te leven.
uv-straling – Ultraviolette straling van de zon de je niet kunt zien. Bij mooi helder weer kan
schaal van Beaufort – Windkrachtmeting. Windkracht 1 is windstil en windkracht 12 is
houden.
orkaankracht.
poolklimaat – Klimaat waarbij de temperatuur altijd onder de 0 °C blijft.
tornado – Zie wervelwind.
savanneklimaat – Klimaat met een maandtemperatuur boven de 18 °C met een droge en
te handhaven.
waterkringloop – Het proces waarbij water na verdamping via wolken, neerslag, grondwater
hogedrukgebied – Een gebied met een hoge luchtdruk door dalende lucht.
luchtdruk – Druk van het gewicht van de lucht op de aarde.
piekafvoer – De grootste hoeveelheid water die een rivier in een korte tijd moet verwerken.
op te stijgen.
neerslag – Regen, hagel, sneeuw, mist en ijzel.
Toerisme waarbij milieu, natuur en landschap niet aangetast worden.
condenseert.
methaan – Broeikasgas dat vrijkomt bij de poep van vee en bij moerassen.
zeespiegelstijging – Stijging van de zeespiegel.
fossiele brandstoffen.
klimaat – Het gemiddelde weer, gemeten over een periode van dertig jaar.
natte tijd.
hooggebergteklimaat – Een sneeuw- en ijsklimaat hoog in de bergen.
neerslagintensiteit – De hoeveelheid neerslag die valt.
lijzijde – De kant van een gebergte waar de droge lucht naar beneden komt.
aarde warmer wordt.
Begrippenlijst 4 vmbo-gt – Hoofdstuk 1 Weer en klimaat © Noordhoff Uitgevers 2019
minimum – Zie lagedrukgebied.
neerslagverdeling – De verdeling van de neerslag over het jaar.
klimaatgrafiek – Grafiek met de temperatuur en de neerslag van een plaats gedurende het
planten verdrogen.
nuttige neerslag – Neerslag die overblijft na verdamping.
hoogteligging – De ligging van een gebied, uitgedrukt in aantal meters boven de
stijgingsregen – Regen die ontstaat als warme lucht opstijgt en daardoor afkoelt.
uitgedrukt in graden.
wervelwind – Lokaal zeer sterke draaiwind met snelheden boven de 400 km per uur, en een
verminderen.
De luchtlaag rond de aarde.
het hele jaar door veel regen.
klein is en de neerslag het hele jaar door valt.
Produceren zonder het vermogen van de aarde aan te tasten.
luchtvochtigheid – De hoeveelheid vocht die in de lucht zit.
Begrippenlijst 4 vmbo-gt – Hoofdstuk 1 Weer en klimaat © Noordhoff Uitgevers 2019
tropische lagedrukgordel – Een groot aantal lagedrukgebieden rond de evenaar.
Waterhoudende laag in de ondergrond.
Kleine druppels die ontstaan uit waterdamp.