(Print) Use this randomly generated list as your call list when playing the game. There is no need to say the BINGO column name. Place some kind of mark (like an X, a checkmark, a dot, tally mark, etc) on each cell as you announce it, to keep track. You can also cut out each item, place them in a bag and pull words from the bag.
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42
43
44
45
46
47
48
49
50
51
52
53
54
55
56
57
58
59
60
61
62
63
64
65
66
67
68
69
70
71
72
73
74
75
76
77
78
79
80
81
82
83
84
85
86
87
88
89
90
91
92
93
94
95
96
97
98
99
100
101
102
103
104
105
106
107
108
109
110
111
112
hooggebergteklimaat – Een sneeuw- en ijsklimaat hoog in de bergen.
vegetatiezone – Gebied met eigen soorten planten.
Een wind die van het land naar de zee waait.
wind – Verplaatsing van lucht van een hogedrukgebied naar een lagedrukgebied.
luchtvochtigheid – De hoeveelheid vocht die in de lucht zit.
weer – Toestand van de atmosfeer op een bepaald moment en een bepaalde plaats.
extensieve landbouw/veeteelt – Landbouw/veeteelt waarbij weinig gebruik wordt gemaakt
neerslagverdeling – De verdeling van de neerslag over het jaar.
loefzijde – Die kant van een gebergte waar de lucht opstijgt, condenseert en neerslag valt.
het hele jaar door veel regen.
frontale regen – Regen ontstaat doordat warme over koude lucht opstijgt waarna het
nuttige neerslag – Neerslag die overblijft na verdamping.
Mate waarin de lucht bewolkt is.
klein is en de neerslag het hele jaar door valt.
neerslagintensiteit – De hoeveelheid neerslag die valt.
irrigeren / irrigatie – Het kunstmatig bevloeien van land om de opbrengst te vergroten.
voor zijn manier van leven.
tropische orkaan – Enorme storm met windsnelheden van meer dan 200 kilometer per uur.
weerselementen – Dit zijn neerslag, temperatuur en wind.
versterkt broeikaseffect – Er komen te veel broeikasgassen in de atmosfeer, waardoor de
temperatuur – Hoe warm of koud het is, gemeten in graden.
grondwater – Water dat in de bodem zit en dat je kunt gebruiken als drinkwater.
aanvoer lucht van elders.
steppeklimaat – Klimaat met weinig neerslag en een begroeiing van gras.
stuwingsregen – Regen die ontstaat wanneer lucht gedwongen wordt tegen een berghelling
orkaankracht.
voedselpiramide – Systeem waarbij planten en dieren elkaar nodig hebben om te leven.
Toerisme waarbij milieu, natuur en landschap niet aangetast worden.
klimaatverdrag – Verdrag tussen landen waarin afspraken staan om de CO2-uitstoot te
houden.
isobaar – Lijn die plaatsen met een gelijke luchtdruk met elkaar verbindt.
uv-straling – Ultraviolette straling van de zon de je niet kunt zien. Bij mooi helder weer kan
Produceren zonder het vermogen van de aarde aan te tasten.
wervelwind – Lokaal zeer sterke draaiwind met snelheden boven de 400 km per uur, en een
Een wind die van zee naar het land waait.
komt.
met neerslag.
methaan – Broeikasgas dat vrijkomt bij de poep van vee en bij moerassen.
De geografische ligging van een plaats ten opzicht van de evenaar
Water dat van een hooggelegen gebied naar een laag gebied stroomt.
wet van Buys Ballot – Wind krijgt op het noordelijk halfrond een afwijking naar rechts en op
werken.
jaar.
waterbalans – Verschil tussen de hoeveelheid neerslag en de hoeveelheid verdamping.
waterkringloop – Het proces waarbij water na verdamping via wolken, neerslag, grondwater
van arbeid en/of kapitaal.
op te stijgen.
luchtdruk – Druk van het gewicht van de lucht op de aarde.
waterdamp – Als water verdampt, ontstaat het onzichtbare gas waterdamp.
tropische lagedrukgordel – Een groot aantal lagedrukgebieden rond de evenaar.
woestijnklimaat – Klimaat met meestal hoge temperaturen en vrijwel geen neerslag.
Kleine druppels die ontstaan uit waterdamp.
natuurlijk broeikaseffect – De dampkring houdt warmte vast die de aarde uitstraalt.
je huid verbranden.
passaatwind – Wind die van de subtropische hogedrukgebieden (30° N.B. en Z.B.) naar de
tropisch regenwoudklimaat – Een klimaat met een maandtemperatuur boven de 18 °C met
landklimaat – Klimaat met een groot verschil tussen de zomer- en wintertemperatuur.
maximum – Zie hogedrukgebied.
kapitaal per hectare of per dier.
Het afvoeren van water met behulp van buizen met kleine gaatjes.
te handhaven.
Waterhoudende laag in de ondergrond.
Instrument om de luchtdruk te meten.
minimum – Zie lagedrukgebied.
lagedrukgebied – Een gebied met lage luchtdruk waar de lucht stijgt.
Wanneer de hemel bedekt is met wolken.
neerslag – Regen, hagel, sneeuw, mist en ijzel.
gematigd zeeklimaat – Klimaat waarin het verschil tussen de zomer- en wintertemperatuur
voedingsgewas – Gewas dat bestemd is voor eigen consumptie.
hogedrukgebied – Een gebied met een hoge luchtdruk door dalende lucht.
Middellandse Zeeklimaat – Gematigd klimaat met een droge zomer en een zachte winter
verdroging – Een verschijnsel waarbij de grondwaterspiegel in de grond daalt waardoor
schaal van Beaufort – Windkrachtmeting. Windkracht 1 is windstil en windkracht 12 is
lijzijde – De kant van een gebergte waar de droge lucht naar beneden komt.
hoogteligging – De ligging van een gebied, uitgedrukt in aantal meters boven de
intensieve landbouw – Landbouw waarbij veel gebruik wordt gemaakt van arbeid en/of
klimaatfactoren – Breedteligging, hoogteligging, afstand tot zee, gesteldheid oppervlak en
De luchtlaag rond de aarde.
aarde warmer wordt.
fossiele brandstoffen.
hurricane – Enorme storm met windsnelheden van meer dan 200 kilometer per uur.
natte tijd.
risicoperceptie – De mate waarin mensen risico’s inschatten om ergens te blijven wonen of
verwoestijning – Proces van verdroging waarbij het voor planten erg moeilijk wordt om zich
poolklimaat – Klimaat waarbij de temperatuur altijd onder de 0 °C blijft.
en rivieren terugstroomt naar zee. Er is een korte en een lange waterkringloop.